Sebastian van Berkel: ‘Kaarten vertellen nooit de hele waarheid, maar altijd het verhaal van de maker’

Interview met Sebastian van Berkel

Door Djuna Spreksel

Ruimtelijk ontwerper en onderzoeker Sebastian van Berkel laat twee cartografische kaarten zien. Op de ene kaart, afkomstig uit een oude atlas, staan overal zeemonsters afgebeeld in verschillende kleuren; met lange staarten, gekrulde vinnen en een boosaardige oogopslag. De Noordzee, met in het hart de Doggersbank, lijkt hier een onbekend, mysterieus gebied, zegt Van Berkel, die werkzaam is bij MUST stedebouw. ‘Zeedieren werden rond de 15e, 16e eeuw getekend op basis van mythische verhalen. De tekenaars hadden de zeedieren die ze moesten tekenen vrijwel nooit zelf gezien.’

De andere, moderne kaart heeft Van Berkel zo’n tien jaar geleden samen met collega’s getekend. Het is de Gebiedsagenda Noordzee 2050, gemaakt in opdracht van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. Overal zijn rechte lijnen en vierkante hokjes getekend die het Noordzeegebied in kavels verdelen. Ieder klein stukje van de zee is gevangen in een bestemmingsvisie; van energiewinning en visserij, tot scheepvaartsnelwegen en natuurgebieden. De zee is met de kleur blauw aangegeven, maar verder doet eigenlijk niets eraan vermoeden dat zich daaronder allerlei vormen van leven schuilhouden. In het midden van het blauwe vlak: een klein, hoekig gebied dat de Doggersbank voorstelt, en dat door middel van getekende, rode lijnen is onderverdeeld in een Nederlands, Duits, Deens en Brits deel.

Voor Van Berkel is de Gebiedsagenda zijn eerste échte kennismaking met de Doggersbank, een gebied waar hij direct door gefascineerd is. Maar juist ómdat hij steeds meer geïnteresseerd raakt in het karakter van deze onbekende, ondiepe zeebank, is hij de afgelopen jaren ook kritischer naar zijn eigen werk gaan kijken. Zo hebben hij en zijn collega’s de cartografische conventies die gelden voor het land als vanzelf overgenomen voor de zee, stelt hij nu. En dat heeft gevolgen: ‘Een kaart zoals deze representeert in ieder geval niet het zeeleven van de Doggersbank, laat staan dat het recht doet aan de dynamiek van de zee. Het is eerder een illustratie van de technocratie binnen de Noordzee-sector, waarbij allerlei belangengroepen het Noordzeegebied bij elkaar polderen en verkavelen. En als ontwerpers hebben wij dus ook bijgedragen aan het exploitatieve karakter en de technocratische blik. Zo hebben wij bijvoorbeeld weleens kaarten getekend met grote vierkanten erop, waarop we hebben aangegeven: kijk, hier kan energiewinning plaatsvinden. Maar de zee is geen woonwijk.’

Naarmate hij de Doggersbank beter leert kennen, realiseert Van Berkel zich dat de huidige manier van kaarten maken niet voldoet om dit gebied werkelijk te kunnen verbeelden. En verbeelding is van invloed op hoe we ons tot een plek verhouden, en de relatie die we ermee aangaan, zegt hij. Met andere woorden: de verbeelding van verleden, heden en toekomst van de Doggersbank zou weleens van fundamenteel belang kunnen zijn voor het herstel van dit biodiverse hart van de Noordzee. Samen met zijn MUST-collega Ziega van den Berk, die is afgestudeerd op de Doggersbank, start hij een ontwerpend onderzoek naar verschillende nieuwe vormen van cartografische verbeeldingskracht, en de manieren waarop deze bruikbaar zijn in het debat over de toekomst van de Doggersbank. Het project Rewilding De Doggersbank door verbeeldingskracht werd gehonoreerd in het kader van de Open Oproep Over Grenzen van het Stimuleringsfonds en maakt deel uit van een samenwerkingsverband met o.a. de Ambassade van de Noordzee en Stichting Doggerland.

Om bij het begin te beginnen: wat doet een cartografische kaart eigenlijk?

‘Een kaart is géén weerspiegeling van de werkelijkheid, maar doet wat de tekenaar wil dat -ie doet. Kaarten zijn onderhevig aan allerlei verborgen conventies die beïnvloeden hoe de kaart eruit komt te zien, bijvoorbeeld de keuze voor een bepaalde projectie en kleurgebruik. Ook heeft een tekenaar altijd een doel voor ogen. Het in kaart brengen van het Noordzeegebied is veelal gebeurd vanuit twee doelstellingen: navigatie en  exploitatie. Daar zit een lange geschiedenis aan vast. Zo bestaan er historische kaarten waarop het continent Amerika staat afgebeeld als een mooie vrouw – klaar om veroverd te worden. Wat niet binnen het doel van de kaart past wordt vaak niet afgebeeld – als je een kaart ziet, moet je je dus ook altijd afvragen wat je niet afgebeeld ziet. En als je doel niet navigatie of exploitatie is, dan moet je jezelf en elkaar dus de vraag stellen: hoe zouden wij dit gebied willen tekenen?’

De afgelopen jaren ben je je als ontwerper bewust geworden van waar je tegenaan loopt bij het tekenen van kaarten. Kun je daar voorbeelden van geven?

‘In de traditionele legenda van kaarten, die nog steeds veel wordt gebruikt, heeft ieder stukje land op een kaart nog altijd één functie, gevangen in één kleur. Terwijl de discussie in deze tijd bijvoorbeeld gaat over de vraag: is dit landbouwgrond, of is het óók een weidevogelgebied? En welke kleur geef je het dan? Ook zijn kaarten altijd een momentopname, als een bevriezing in de tijd. Maar de zee is nu juist altijd in beweging, op ieder moment is het daar anders. Daarnaast krijgt de zee op een kaart vaak de kleur blauw. Nou is de Noordzee veel, maar blauw is -ie niet. Bovendien zit er onder die kleur van alles verborgen wat leeft, maar op de kaart niet zichtbaar is. Soms zijn de gegevens incompleet. Dat geldt bijvoorbeeld voor dieptekaarten, waarbij op veel plekken de aangegeven diepte gebaseerd is op veel te weinig meetpunten om er echt iets over te kunnen zeggen – laat staan die gegevens op een kaart te tekenen. Voor grote delen van de Noordzee geldt dat we eigenlijk nog steeds niet weten welke functies bepaalde gebieden hebben en hoe ecosystemen precies werken.’

Maar als je iets een kleur geeft, dan suggereer je wel dat je weet wat zich daar bevindt.

‘Precies. En zulke kaarten, die dus deels gebaseerd zijn op speculatie en niet-weten, worden weer gebruikt als onderlegger voor allerlei andere kaarten, zoals een Natuurbeheerplan. Er wordt zo dus een gebrek aan kennis gestapeld, die bovendien is opgedaan met hele andere doelen voor ogen.’

Voor de Open Oproep stellen jullie vier grenzen rond de Doggersbank centraal, die jullie aan de hand van cartografische verbeeldingskracht willen overschrijden. Welke zijn dat precies?

‘Allereerst de Doggersbank zelf: dat is een vierlandenpunt – een grensgebied dus. Dat zorgt voor verschillen in beheerplannen, maar ook voor juridische, culturele en linguistische barrieres. Want hoewel deze grenzen niet in de fysieke werkelijkheid bestaan – ze zijn immers bedacht door mensen – beïnvloeden ze zowel de mentale als fysieke werkelijkheid. Want een grens zegt: dit is van ons, dus daar mogen we iets mee. ‘En vervolgens gaan we die vakjes tekenen en inkleuren met bijvoorbeeld een windpark.’

‘De tweede grens is die tussen land en zee: als mens kunnen we niet dichtbij de Doggersbank komen, wat eraan bijdraagt dat we deze plek niet goed kennen. De derde grens is die tussen mens en zee: ik ben niet de zee, maar ik breng die zee wel in kaart. In hoeverre kan ik dat? Het idee van representatie kan helpen. Je neemt dan factoren die voor ons mensen niet direct van belang lijken, maar wel van invloed zijn op het zeeleven, mee in je tekening: temperaturen, hoogteverschillen, geluid. De vraag is: welke lagen zijn dat en hoe kun je die carteren?’

‘De vierde grens is tijd. Een kaart is altijd een momentopname, terwijl de seizoenen, dag en nacht en de stand van de maan allemaal van invloed zijn. Bovendien worden metingen op verschillende momenten gedaan, maar worden de gegevens vervolgens wel in één kaart getekend. Dat is eigenlijk best gek. De zee verandert ook over een langere periode, en haar herstel zal honderden jaren in beslag nemen. Maar dat zien we niet; veel mensen denken dat de zeebodem altijd al de woestijn was die het nu op sommige plekken is.’

‘Met dit cartografische onderzoek willen we ontdekken op welke andere manieren de dynamiek, multi-interpretabele ruimtes, tijd en meerstemmigheid van de Doggersbank in kaarten gevangen kunnen worden.’

Waar staan jullie nu met het onderzoek?

‘Eind vorig jaar hebben we onze eerste fase afgerond – die van ontdekken, analyseren en concretiseren. We hebben we ons bezig gehouden met vragen zoals: hoe kun je bepaalde conventies ontleren en verbreken? Wat is een logische samenhang om de zee te tekenen? We hebben geëxperimenteerd met andere verbeeldingen van grenzen, bijvoorbeeld die tussen zee en land: in plaats van harde lijnen kun je ook werken met gradiënten. Ook kun je verschillende tijdlagen aanbrengen op een kaart, net als verschillende gradaties van weten en niet-weten. We hebben de planisfeerkaart verkend: dat is een ronde kaart waarop het universum, de aarde en de zee met elkaar verbonden zijn. Daarnaast kun je de geschiedenis terug tekenen, zoals de oesterriffen die bijna allemaal verdwenen zijn. Of je tekent gebieden die vroeger aan de zee lagen, waar mensen de zilte zeelucht konden ruiken. Als je laat zien dat die veranderingen niet eens zo lang geleden zijn, wordt de stap kleiner om radicaal over een andere toekomst te gaan nadenken. In de volgende fase gaan we deze experimenten met nieuwe kaartconventies uitwerken tot echte kaarten. Hiervoor organiseren we ook een zestal workshops die verschillende soorten publieken de kans geeft om ideeën, wensen, zorgen en verlangens ten aanzien van de toekomst van de Doggersbank een plek te geven. Twee van die workshops gaan plaatsvinden in Museum Panorama Mesdag.’

Welke oproep willen jullie doen, met jullie bijdrage aan de tentoonstelling Drift in Museum Panorama Mesdag?

‘Kaarten vertellen nooit de hele waarheid, maar altijd het verhaal van de maker. De gangbare manier waarop wij kaarten tekenen is het resultaat van afspraken, conventies en gewoonten: de zee wordt gereduceerd tot een blauw vlak, de Doggersbank tot een stel hoogtelijnen afgebakend door een abstracte, geometrische vorm. Hoe wij de zee tekenen is gestoeld op conventies die hun oorsprong kennen in navigatie en exploitatie. De doelen van het rewilden van de Doggersbank zijn totaal anders. Onze oproep is als volgt: De gemeenschap is inmiddels zo groot geworden, dat het tijd is voor nieuwe afspraken, conventies en gewoonten over hoe wij, en jullie, de zee tekenen.’